Missie, Visie en Strategie
De Advocaten
Honorarium en Voorwaarden
Maatschappelijk ondernemen
Historie
Nieuws
Na de 7 uitspraken van het Hof Den Haag van 14 oktober 2008 kopten de kranten ‘Uitspraak Gerechtshof legt bom onder CWI-route’. Daarmee werd bedoeld, bleek bij lezing, dat vanwege deze uitspraken van het Hof een werknemer bij zijn ontslag altijd recht zou hebben op een zo te noemen ontslagvergoeding van – globaal – één maand tot een (heel) aantal maanden salaris.
Daarvóór was een aan de werknemer te betalen ontslagvergoeding alleen mogelijk als de Kantonrechter werd gevraagd de arbeidsovereenkomst te ontbinden en daarbij ook kreeg te bepalen, dat een ontslagvergoeding aan de werknemer moest worden betaald. De hoogte daarvan werd berekend aan de hand van de zogenoemde Kantonrechtersformule. Koos de werkgever voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst – en dat kan na een verkregen ontslagvergunning via een CWI (nu geheten UWV)-procedure – dan kwam er in principe geen ontslagvergoeding aan te pas.
Het Hof Den Haag gooide met zijn uitspraken dit systeem omver door te bepalen, dat een werkgever de werknemer ook dan een - zo maar te noemen - Kantonrechtersvergoeding moest betalen, maar dan wel met een korting van 30% om daarmee de tijd die met de UWV-procedure was gemoeid te compenseren.
Er was natuurlijk onder werkgevers veel onrust na deze uitspraak, met name onder MKB-werkgevers die vaker de (goedkopere) UWV-procedure volgden. Zou een opzegging langs die route niet meer mogelijk zijn zonder meteen ook een vergoeding te moeten betalen aan de werknemer?
De Hoge Raad spreekt zich hierover vrijdag 27 november 2009 heel duidelijk uit en stopt daarmee een door veel werkgevers ongewenste ontwikkeling af. Het Haagse Hof wordt teruggefloten met de beslissing dat – kort samengevat - niet elke opzegging zich zonder meer leent voor een aan de werknemer te betalen vergoeding, al dan niet gekort. De rechter zal eerst aan de hand van alle omstandigheden van het geval moeten beoordelen of de opzegging door de werkgever, correct en met ontslagvergunning gedaan, toch onredelijk was. De werknemer zal voor het antwoord op die vraag na zijn ontslag een procedure bij de Kantonrechter moeten starten om daarop een positief antwoord van de rechter te krijgen. Pas daarna, en dus niet tegelijkertijd zoals het Hof Den Haag wilde, kan volgens onze hoogste rechter worden toegekomen aan het antwoord op de vraag welke vergoeding aan de werknemer moet worden toegekend. En dat is, volgens de Hoge Raad, niet vanzelfsprekend een volgens de Kantonrechtersformule berekende vergoeding. Kortom, de Hoge Raad vindt, dat het moeten betalen van een vergoeding beslist niet altijd het geval moet zijn!
Wilt u meer weten? Neem dan contact op met Marielou Sandberg-Crommelin